Kreupelheidsonderzoek bij het paard
Aandoeningen aan de benen/rug van het paard met kreupelheid als gevolg zijn één van de meest voorkomende afwijkingen bij het paard ( naast koliek en ademhalingsaandoeningen).
Dit heeft o.a. te maken met de manier van belasten (al op jong leeftijd
onder het zadel en onregelmatige belasting: 1 uur intensieve training
per dag, daarna vaak boxrust), erfelijke factoren (OCD, hoefkatrol) en
het karakter van het paard (het paard is van nature een vluchtdier en
kan onverwachtse beweging maken met een blessure als gevolg).
Mocht uw paard onverhoopt kreupel worden, dan is het belangrijk dat
d.m.v. een grondig onderzoek de oorzaak van de kreupelheid wordt
gevonden. Pas als de oorzaak bekend is, kan een gerichte behandeling
worden ingezet.
De paardenkliniek beschikt over de moderne apparatuur die nodig is om
een grondig kreupelheidsonderzoek uit te voeren. Er is een digitaal röntgenapparaat om skeletdelen in beeld te brengen en een echografisch apparaat die geschikt is om pezen, banden en gewrichten in beeld te brengen. Daarnaast hebben we de beschikking over een omringde harde en zachte volte om op een veilige manier het kreupelheidsonderzoek te doen.
We werken samen met een hoefsmid die veel ervaring heeft in het aanbrengen van orthopedisch beslag (= beslag voor het kreupele paard).
Na het onderzoek wordt aan de eigenaar aan de hand van anatomische preparaten en beeldmateriaal (röntgenfoto’s, echografiebeelden, anatomische tekeningen uit boeken) duidelijk uitgelegd wat de oorzaak van de kreupelheid is en wordt een behandelplan opgesteld.
Na een bepaalde tijd wordt het paard weer gecontroleerd om te zien in hoeverre verbetering is opgetreden en of aanvullende behandeling nodig is.
Door deze manier van werken kunnen we er in de meeste gevallen voor zorgen dat u ( in kortere of langere tijd) uw paard weer kan berijden.
Uitvoering van het kreupelheidsonderzoek:
1. Eerst wordt bepaald aan welk been het paard kreupel is
We laten het paard draven op de rechte lijn met het hoofd vrij. Het paard ontlast het “pijnlijke been en “valt” op het gezonde been. Het gemakkelijkst is om te bepalen wat het “gezonde” been is, omdat die het meeste afwijkt in de beweging: het paard “valt” namelijk als het ware op het gezonde been en maakt daarbij een hoofdbeweging naar beneden in geval van kreupelheid aan de voorbenen ( bij kreupelheid aan de achterbenen is dit precies andersom). Het is ook te horen op welk been het paard “valt” door het paard te laten draven op een harde ondergrond. Het andere been is dan automatisch het kreupele been. Soms is het nog niet duidelijk aan welk been het paard kreupel is en wordt dit pas duidelijk op de voltes of na de buigproef.
2. Bepalen of de oorzaak van de kreupelheid onder of boven de voorknie/sprong is gelegen
Als de kreupelheid onder de voorknie/sprong is gelegen spreken we van belastingskreupelheid; het belasten van het been is pijnlijk.
Als de kreupelheid boven de voorknie/sprong is gelegen spreken we van bewegingskreupelheid; het bewegen van het been is pijnlijk.
In de meeste gevallen (80%) is de oorzaak van de kreupelheid onder de voorknie gelegen in geval van kreupelheid aan de voorbenen.
De belastingskreupelheid (onderste kreupelheid) is vooral duidelijk op de harde volte als het kreupele been het binnenbeen is. Dit komt omdat het paard op dit been de meeste steun/belasting uitoefent en omdat de harde bodem geen schokken opvangt waardoor pijnlijke processen in de ondervoet extra belast worden waardoor het paard kreupel gaat lopen.
De bewegingskreupelheid (bovenste kreupelheid) is vooral duidelijk op de zachte volte als het kreupele been het buitenbeen is. Dit komt omdat op de zachte volte de bovenste gewrichten meer gebogen moeten worden dan op de harde volte en het buitenbeen een grotere pas moet nemen dan het binnenbeen waardoor ook meer buiging van de bovenste gewrichten noodzakelijk is.
Als duidelijk is aan welk been het paard kreupel is en of we te maken hebben met een bewegingskreupelheid of belastingskreupelheid, kunnen we buigproeven gaan uitvoeren. Hierbij wordt een gewricht (meestal meerdere gewrichten) gedurende 1 minuut gebogen waarna met het paard wordt weg gedraafd. Als een paard pijnlijk is in of rond het gewricht zal het paard kreupel lopen.
Zo zijn er de volgende buigproeven aan het voorbeen: ondervoet, voorknie, schouder/elleboog en aan het achterbeen: ondervoet, sprong en knie.
Vervolgens gaan we het been goed bekijken en betasten. We letten dan op de volgende zaken:
- zwellingen van gewrichten, pezen en peesschedes
- warmteverschillen
- in geval van belastingskreupelheid gaan we altijd de zool van de hoef met een
speciale tang inknijpen om te zien of er een kneuzing aanwezig is
Vervolgens kunnen we de verschillende gewrichten van het been passief bewegen om te zien of er ergens een pijnreactie optreedt.
3. Het uitvoeren van geleidings- en gewrichtigsanesthesie
Om de regio waar de oorzaak van de kreupelheid ligt nog verder te verkleinen, kunnen we geleidings- en gewrichtsanesthesie uitvoeren.
Bij geleidingsanesthesie wordt een zenuw verdoofd zodat een bepaalde regio van het been geen gevoel heeft. Bij een gewrichtsanesthesie wordt een bepaald gewricht verdoofd. Als na deze verdoving blijkt dat het paard niet meer kreupel loopt, weten we in welke regio de kreupelheid is gesitueerd.
4. Het röntgen en echografisch onderzoek
Als nu nauwkeurig bekend is waar de kreupelheid is gelokaliseerd, kunnen we tot een diagnose komen door deze regio röntgenologisch en eventueel echografisch te onderzoeken.
Röntgenonderzoek wordt gedaan om afwijkingen aan de botten op te sporen (bijv. hoefkatrol-onsteking, OCD, fracturen).
Echografisch onderzoek wordt gedaan om afwijkingen aan pezen, peesschedes, banden en gewrichten op te sporen (bijv. peesontsteking, verrekking van banden).
Voor het röntgenonderzoek maken we gebruik van een digitaal röntgenapparaat. Met dit systeem komen röntgenbeelden met behulp van een computer tot stand. De foto’s verschijnen dan op het computerscherm. Het voordeel van deze techniek is dat bepaalde skeletonderdelen kunnen worden uitvergroot en dat grijswaarden kunnen worden aangepast zodat ook hele geringe afwijkingen zichtbaar worden.
Het echografisch onderzoek wordt uitgevoerd met een echografisch apparaat. Echografisch onderzoek wordt o.a. gedaan bij peesblessures: niet alleen om de diagnose te stellen, maar ook om het verloop van de heling van de pees te kunnen volgen en het bewegingsregime op basis hiervan aan te passen. Ook het onderscheid van peesschede-ontsteking en een peesblessure is m.b.v. echografie te maken. Tevens kunnen de banden die het gewricht stabiliseren (de zogenaamde collaterale banden), de gewrichten en de sesambeentjes echografisch onderzocht worden.
Als duidelijk is wat de oorzaak van de kreupelheid is, kan een gepaste behandeling worden ingezet. Deze kan bestaan uit: injecties van ontstekingsremmers en of stoffen die invloed hebben op de gewrichtsvloeistof (“smeermiddel”) in het gewricht of peesschede, ontstekingsremmers die oraal (is via de mond) worden gegeven, speciaal orthopedisch beslag en een aangepast bewegingsregime.
Opmerking: uiteraard zal het niet altijd noodzakelijk te zijn om al deze stappen van het kreupelheidsonderzoek te doorlopen. Het kan zijn dat bij het klinische onderzoek al duidelijk wordt wat de oorzaak van de kreupelheid is.